zondag 31 mei 2009

Weet hoe je skate

Om het interactieve aspect van mijn log wat te upgraden heb ik een lezersvraag voor u.

Op dagen als vandaag mag ik graag een rondje skaten. In het begin kon ik dat niet zo heel goed en vertoonde ik een opvallende gelijkenis met Bambi die zijn eerste stapjes zet. Inmiddels heb ik het principe van skaten aardig onder de knie en rijd ik met een leuk vaartje over het Haagse asfalt. En ik ben nog niet één keer op dat Haagse asfalt geduveld, een gegeven waar ik onmetelijk trots op ben.

Er is alleen nog één ding waar ik moeite mee heb. Ik heb het hier al met Fike over gehad, maar die had geen pasklaar antwoord voor me Zij kampt namelijk met precies hetzelfde probleem. Het gaat om een niet onbelangrijk onderdeel van skaten: het remmen. Ik kan dat niet.

Om even een beeld te geven: als ik moet remmen, zoek ik een lantaarnpaal of een ander iets om me aan vast te klampen. Daar skate ik dan met uitgestrekte armen op af en dan stop ik mezelf door daar aan te gaan hangen. Een andere beproefde methode is een rondje draaien. Of, de makkelijkste van allemaal: jezelf gewoon uit laten rollen tot je stilstaat. Maar dat werkt niet altijd. Vandaag had ik bijvoorbeeld wind mee en dan kan je lang wachten tot je bent uitgerold.

Kijk, we hebben wel van die blokjes, maar hoe we daar ook op gaan hangen, stoppen lukt daarmee niet. Dus de lezersvraag van vandaag: hoe kan je in vredesnaam op een normale, veilige manier remmen?

Antwoorden zijn meer dan welkom. Lessen ook. Wie helpt?

zaterdag 30 mei 2009

Funniez

Toen ik jaren terug een keer bij oma was, had ze een verrassing in haar hagelslagpotje. Ik tilde het deksel op en riep verbaasd uit: “Oma! Er zitten snotjes in de hagelslag!” De voltallige familie schoot in een lachstuip en ik zat alleen maar met ontzetting naar de groene dingen te kijken die zich tussen de hagelslag hadden verschanst.

Nadere inspectie leerde dat oma niet in haar neus had zitten grutten en de opbrengst bij gebrek aan een betere plek dan maar in het hagelslagpotje had gemikt. Ik vond het ook al niks voor haar. Nee, de door mij als ‘snotjes’ bestempelde dingen, waren ‘funniez’, hagelslagopleukers. Ze bleken verrekte lekker te zijn.

Laatst heb ik for old times sake zelf hagelslag met funniez gekocht. Als er funniez in je hagelslag verstopt zitten, wordt brood maken een heel ander karweitje dan wanneer je er op de tast een plak kaas op gooit. Brood maken is ineens spannend. Zou er een funnie in de hagelslag zitten? Twee zelfs misschien? Met grote ogen kijk ik naar het tuitje van het pak. Daarbij heb ik twee nadelen geconstateerd.

1. Als de funniez niet zo outgoing zijn, strooi je vaak een belachelijke hoeveelheid hagelslag op je brood. Dit doe je in de hoop dat er tóch een funnie tevoorschijn komt.
2. Funniez blokkeren de doorstroming. Dan zitten ze klem in het tuitje en komt er helemaal niks meer uit het pak. Jammer is dat.

Ik heb nog wel steeds een beetje moeite met het woord funniez. Zoals ieder gezin, hadden ook wij van die ‘eigen woorden’. En hoe je ook je best doet, die verdwijnen nooit echt uit je vocabulaire. Ik eet dus nog steeds randjesworst en suikertjeskoek en in mijn hagelslag zitten snotjes.

Het is niet anders.

dinsdag 26 mei 2009

Shaken op de sofa

Als mens ben ik over het algemeen aardig in balans. Wanneer het me tegenzit, zet ik de schouders eronder en vecht ik terug. Ik zit niet vaak in een hoekje te treuren. Ik heb een onvermoeibaar vermogen tot relativeren.

Behalve als het onweert. Dan zit ik te shaken op de sofa. Dan ben ik ineens weer een meisje van zes, alleen in het donker. Vanaf de kast loert er een monster naar mij en onder mijn bed woont een krokodil. Met dat verschil dat het niet weg is als het licht aan gaat, want my god!!! Wat een noodweer was het gisteravond en vannacht!

Ik was dus bang. Eerst kwam mijn buurvrouw vertellen dat het netwerk van de mobieltjes uit de lucht was. Daarna zong Huub van der Lubbe op TV dat als het golft, het goed golft. Buurvrouw en ik waren het daar roerend mee eens. Want de bliksemschichten waren knetterende, lila vorken. De donder deed een gooi om op de soundtrack van de boekverfilming van “Extreem Luid en Ongelooflijk Dichtbij” te komen, want dat was het. Onze straat dreigde te veranderen in één grote massa kolkend water. (Dat laatste is niet waar. Dat is mijn gevoel voor drama).

De buurvrouw ging terug naar huis en toen begon-ie: de nacht. And what a gewéldige nacht it was. Ik lag in mijn ledikant te bibberen. Ik las een boek. Ik ging weer uit bed om een cocktailtje van pijnstillers te slikken, want ik had knallende koppijn. Ik luisterde naar mijn MP3-speler. Ik zat een tijdje op de bank. Ik deed van alles, behalve slapen. Dat lukte niet. De hele nacht niet.

Om 4.00 uur begon de toegift, zonder dat iemand “we want more” had geroepen. Ik werd er een beetje verdrietig van. Op dat moment miste ik heel erg een lief vriendje om tegenaan te kruipen. Een vriendje dat zou zeggen dat het wel weer over zou gaan en dat het niet echt eng was. Wat ik dan natuurlijk niet zou geloven, maar toch miste ik het.

En ik weet wel dat het niet echt eng is hoor. Zolang je niet onder een boom gaat schuilen of over een open vlakte gaat stiefelen kan er niet zo veel gebeuren. Maar in gedachten zie ik mezelf altijd al gewikkeld in onderkoelingsfolie toekijken hoe het brandweerkorps tracht te voorkomen dat mijn stulpje affikt, als gevolg van blikseminslag.

Ik zei het al: ik heb gevoel voor drama.

woensdag 20 mei 2009

De laatste keer

Een tijdje terug heb ik een verhaal geschreven. De eerste zinnen waren als volgt:

'Het tegenovergestelde van liefde is niet altijd haat. Vaak is het onverschilligheid. Jou kon het niet meer zoveel schelen, maar mij nog wel een heleboel. Ik had het geweldig met je...'

Op dat moment dacht ik nog dat het niet helemaal waar was wat daar stond. Ik dacht dat het jou nog wel kon schelen. In elk geval een beetje. Omdat je me kende, dacht ik. Om alles wat er was geweest.

Of het echt gewerkt zou hebben tussen ons blijft de grote vraag. Ik wilde dat wel weten, was bereid het een kans te geven. 'Nee' is uiteindelijk ook een antwoord. Jij had liever 'vrijheid blijheid', en ik pikte dat. Het was alsof we steeds weer een tango dansten met elkaar. Boog jij af, dan brak mijn wil - en zette zich naar jouw voegen. Waarom? Omdat ik van je hield, natuurlijk.

Het verhaal dat volgde op die eerste zinnen, ging over een laatste kans en mijn bereidheid jou die te geven. Maar lief, die kans heb je nu verkeken. Ik ben geen speeltje, weet je. Jij schijnt daar anders over te denken. Jij schijnt te vinden dat je me naar believen kan aantrekken en afstoten, kan liefhebben en uitkotsen. En daar maak jij een enorme denkfout.

De tweede viool past niet bij me. Daar zoek je maar iemand anders voor. Ik verdien meer dan dit. Meer dan kutsmoesjes, dan afstandelijkheid. Meer dan schijnveiligheid. Het lag allemaal voor je klaar hoor: meer liefde dan je met twee handen vast kunt pakken. Als jij die niet wilt, houd ik nu op met het aan te bieden.

Bijna een jaar geleden gingen we nog samen uit ons dak bij het concert van Doe Maar. Nu staat hun track 'De laatste keer' hier bij mij op repeat.

De sleutel lag bij mij...

Dit was de laatste keer
Het is voorbij, ik wacht niet meer
Dit was de laatste keer
Ik red het wel, al doet het zeer
De allerlaatste keer

De crosstrainer en ik

Omdat ik een grote, zelfstandige dame aan het worden ben, was het tijd om alleen in de sportschool te gaan trainen. Dus zonder Claudia die mij bemoedigend toespreekt of mij door de laatste oefeningen sleurt, wanneer de verzuring bezit heeft genomen van mijn lichaam. De eerste uitdaging was om mezelf zonder stok achter de deur naar de sportschool te slepen. Ik had dat gepland voor gisteravond 18.30 uur, maar toen lag ik op de bank te tukken. Daarom gaf ik mezelf vanmiddag een herkansing.

Claudia zou voor een trainschema zorgen en daar ging het meteen al mis: wat er ook lag, geen schema. Dus ik ging naar Claudia's collega, die mij aan het werk zette. Ik deed een cardiorondje, rukte ad hoc aan wat apparaten en wist het toen niet meer zo goed. Terug naar de collega dan maar.

De collega - laat ik hem Tjeerd noemen (zo heet hij namelijk) - wilde mij wel even verder helpen. "Buikspieroefeningen, vind je dat leuk?" vroeg hij.
"Nou, 'leuk' is niet helemaal het goede woord..." zei ik.
Daarop pakte Tjeerd twee matjes en volgde een buikspiersessie of doom. Vervolgens mocht ik wat dingen doen die ik wél leuk vond en toen vroeg Tjeerd wat ik van de crosstrainer vond. Want dan kon ik daar nog wel even op.

Nu is het zo dat ik werkelijk een passionele haat koester jegens de crosstrainer. Van alle dingen die je in de sportschool kan doen, vind ik crosstrainen echt het ergste wat er bestaat. Maar Tjeerd had de smaak te pakken en dreef mij richting dat ellende-ding. Ik piepte nog iets van: "Ik moet ineens héél nodig plassen..." maar Tjeerd pareerde die ontsnappingspoging met de opmerking: "Dan wacht ik wel even hoor." Tsja.

Ik heb dus gecrosstrained. Het was wel mijn cooling down, dus in dat opzicht was het nog om door te komen. Ondertussen deed Tjeerd het voorstel om even aan Claudia te laten weten dat ik het apparaat wel weer leuk vond.
"Nee!" riep ik licht hysterisch. "Ik mail haar zometeen dat ze je niet moet geloven!"
"We zullen zien wie het snelst is..." zei hij.

Claudia, als je dit leest: je moet Tjeerd niet geloven. De crosstrainer en ik worden nóóit vrienden. Nóóit! Dan doe ik liever honderd extra buikspieroefeningen.

Desnoods volgens de methode-Tjeerd.
Maar echt, hoor.

maandag 18 mei 2009

Van uw verslaggeefster

Den Haag – Afgelopen zaterdag vierde Theatersportvereniging ADHD (“Achter De Haagse Duinen”) haar geboortefeest. In een zaal van het Hofstad Lyceum begonnen rond 16 uur de voorbereidende werkzaamheden van dit groots een meeslepend evenement. Er werden ballonnen opgeblazen en aan een touw geknoopt, er was een heuse fotoshoot en alle aanwezigen werden vergast* op een copieuze Chinese maaltijd.

Ella, vriendin van uw verslaggeefster, werd ingevlogen om de kaartverkoop voor haar rekening te nemen. Zij gedijt namelijk beter in gezelschap als ze een taakje heeft. Ze volbracht dit taakje op fabuleuze wijze en werkte zich uit de naad om het massaal toegestroomde publiek van tickets te voorzien.

De voorstelling varieerde van sprookjesachtig tot muzikaal en van chaotisch tot hilarisch. Het is jammer dat theatersport zich maar lastig laat navertellen. Maar als ik zeg “Wat een mooie grot ende spelonken!”, “Ik vergat de tieten” en “Ik ga je prikken”, dan weet ik zeker dat enkele lezers van dit epistel hardop lachen. Voor de mensen die het niet snappen: eigen schuld, had je er maar bij moeten zijn. Check deze site voor volgende speeldata.

Na afloop haalde een aantal aanwezigen nog even bescheiden de voetjes van de vloer. Daarna werd de rotzooi opgeruimd en werd er in maison Anne nog een fles champagne soldaat gemaakt. Daarna gingen de oogjes dicht en de snaveltjes toe en is iedereen braaf gaan slapen.

Het was een geslaagde avond.

*Geen Auschwitztaferelen hoor. ‘Vergast’ is hier afgeleid van het werkwoord ‘vergasten’, wat zoveel betekent als ‘trakteren’ of ‘uitnodigen’.

donderdag 14 mei 2009

Algebra Nostalgia

Het is me het weekje wel. Gisteravond ging ik eten bij neef R. Investeren in familiebanden is belangrijk, namelijk. Bovendien had R. mij beloofd dat hij me gitaarles zou geven. Ik heb wel eens visioenen van mezelf bij een kampvuur, terwijl ik zachte gitaarliedjes tokkel en er allerlei leuke mensen om mij heen zitten die dan meezingen. Of dat er dan nog een gitarist bij is en dat we dan samen echt heel mooi Beatleliedjes pingelen. Maar daarvoor moet ik eerst nog gitaar leren spelen, dus het aanbod van R. kwam wel goed uit

Enfin, ik was daar dus. Tijdens het eten bespraken we eerst alledaagse dingen als werk en studie en het sociale leven, en toen ineens… hadden we het over staartdelingen. Hoe we daar bij kwamen: vraag het me niet. Ik heb het wel vaker over onverwachte of ongewone dingen (Bollo, Bries en Bondgenoten, de piekenpijp van Foster Parents of van die klikklakarmbanden in fluorescerende kleuren, bijvoorbeeld). En nu ging het dus ineens over staartdelingen.

Het punt waar we allebei een beetje mee zaten, was dat we ons vroeger het schompes hebben gerekend aan die dingen en dat we nu niet meer wisten hoe ze moesten. Een actiepunt was geboren. We wisten nog wel hoe we moesten beginnen en daar bleek ook meteen een educatieverschil tussen R. en mij: hij deelde heel anders staart dan ik. Maar goed, nu we toch in de materie doken, kon het geen kwaad om onze staartdeelskills meteen naar een hoger plan te tillen dan waar we ze jaren geleden uit onze handen hadden laten vallen.

Om een lang verhaal kort te houden: even later zaten we als de ijverige negenjarigen die we ooit waren over een papier gebogen om staartdelingen op te lossen. Eerst hadden we op wikipedia opgezocht hoe het ook alweer moest en daarna riepen we sommetjes voor elkaar. De GR diende als controlemiddel. Maar: we merkten dat we heel anders dachten dan toen. Waar staartdelen in groep zes een hoog nattevingerwerkgehalte had, waren we inmiddels zo erudiet dat we gewoon al zágen in welke richting we het moesten zoeken. Dat verklaart waarschijnlijk ook waarom we de staartdelingen op een gegeven moment aan de wilgen hebben gehangen: we hadden ze niet meer nodig.

Toen ik naar huis ging, spraken we af dat we gauw weer zo’n avondje zouden plannen.

Dan koop ik voor ons allebei een prikblok.
En R. krijgt een sticker in zijn schrift.

woensdag 13 mei 2009

Leuke dingen op de dinsdag

Een puntsgewijze weergave van al het moois dat zich gisteren afspeelde:

  • Marjolein en ik zijn Golden Girls geworden. Marjolein kreeg een Gold Card omdat ze zo vaak met Stena Line heeft gereisd dat ze bij de volgende overtocht geld toe krijgt van die club, zo blij zijn ze met haar. En terecht.
    Bij mij is het omdat ik zo’n godsvermogen heb uitgegeven bij Esprit dat ik nu een platina klantenkaart heb. Eén van de voordelen daarvan is dat ik mijn broeken kosteloos kan laten inkorten. Gezien het feit dat ik een mens op pocketformaat ben, vind ik dat een goed iets.

  • Op mijn werk hebben ze het helemaal goed gemaakt met me. Gisteren zat collega N. bij mij op de kamer, erg gezellig. Daarna kreeg ik een raket van een andere N., en ijs heeft op mij dezelfde uitwerking als paaseitjes: geef het me en ik doe álles voor je. Of nou ja, heel veel. Daarna maakte L. er een echte feestdag van door mij te vragen om een presentatie voor het MT te maken. Niet zomaar een presentatie, maar eentje met plaatjes van Disney. Hoe blij willen ze me hebben?! Ik heb gevraagd of ik de volgende keer iets met Jip en Janneke mag doen.

  • Collega L. wilde mij uithuwelijken aan iemand wiens achternaam begint met een A. Dat vond hij makkelijker. Kandidaten mogen zich melden in de comments. Ik weet nog niet zeker of dit nou een hoogtepunt was, dat is afhankelijk van wat het oplevert.

  • Ik zag een halve kerstboom liggen. Ik vond dat wel raar. Misschien dat de rechtmatige eigenaar het met de ijsheiligen voor de deur tijd vond om de boom nu toch maar eens diezelfde deur uit te gooien. Maar wat ik me afvraag: waar is de andere helft van die den dan gebleven?

  • Mijn nieuwe camera is onderweg naar mij. Ik heb ‘m uiteindelijk maar via internet besteld. Zaterdag kan ik ons geboortefeest dus vastleggen op de gevoelige plaat. (let op de sluikreclame in deze zin en doe er uw voordeel mee)

Resumerend: het was een leuke dag. Doe mij er meer van zulke.

dinsdag 12 mei 2009

Mijn Floddertje kapsel

Als ik mijn eigen babyfoto’s terugkijk, dan zie ik geen ‘natural born beauty’. Mijn ouders zijn het daar niet mee eens, die gebruiken bij de omschrijving van mijn postnatale uiterlijk doorgaans de term ‘lief’. Maar even: we weten allemaal dat ‘lief’ het Herman Finkers eufenisme voor ‘lelijk’ is. Ergo: we zijn het eens.

Mijn moeder erkent wel dat ik een nogal wanstaltige haardos had. Kent u Floddertje? Nou, zo’n kapsel had ik ook. En hoewel ik qua voorkomen inmiddels leuk ben opgedroogd, heb ik dat kapsel nog steeds. Hoe kek het modelletje dat ik er in laat knippen ook is, binnen de kortste keren zie ik er altijd weer uit als een bastaardtelg van de Kelly Family.

Wat hier niet echt lekker aan meehelpt, is mijn kapperfobie. Het zou best kunnen zijn dat mijn kapselprobleem wordt opgelost door een kleurtje of een krulletje, maar dat durf ik niet aan. Kappers zien er meestal uit alsof ze elke nieuwe trend eerst op hun eigen hoofd uitproberen. Daardoor hebben ze minstens twee kleuren haar, een half permanent en dan ook nog een matje. Dat wekt geen vertrouwen. Ik bedoel daarmee dat ik mijn haren niet graag toevertrouw aan iemand die er zelf uitziet als een kruising tussen een stinkdier, een Dolly Dot en John de Wolf.

Maar waarom ik hier nu over begin: anderhalve week geleden heeft een kapster een bescheiden aantal centimeters van mijn haar afgeknipt. En nu denk ik al een paar dagen dat ik best terug wil naar de kapper om er nog wat centimeters vanaf te laten halen. Waar komt dat gedachtegoed ineens vandaan borrelen?

Om mezelf te ontmoedigen heb ik het verhaal van Jip (van Janneke) die met schort en al wegrent bij de kapper herlezen. Ik ben bang dat ik ook zoiets ga doen. Maar ondertussen wil ik mijn zwabbereske kapsel nog steeds korter.

Als iemand hier een mening over heeft hoor ik dat graag.

donderdag 7 mei 2009

Mijn persoonlijkheid

Afgelopen zaterdag ging ik met vriendin J. naar Ciske de Rat, de musical. Goede wijn behoeft geen krans, dus ik volsta met de opmerking dat we op onze stoelverhogers volop hebben genoten. Ciske fungeert in dit epistel vooral als bruggetje, want mensen, ‘ik voel me zo verdomd alleen’. Maar echt.

Wat is het geval?
Op kantoor zit ik volgens de statuten en reglementen tegenover T., maar die is nogal uithuizig. Twee dagen in de week zit ze te flexwerken op een andere etage en op de resterende dagen vertoont ze een opvallende gelijkenis met Osama bin Laden (als je al een bericht krijgt is het onbegrijpelijk en voor de rest zijn ze hoofdzakelijk onvindbaar). Op de momenten dat T. weer eens op haar kuierlatten is, kan er in theorie best iemand op haar plekje tegenover mij zitten, maar dat gebeurt maar verrekte weinig. Ik snap dat niet en het stemt me droevig.

Enige tijd geleden kaartte ik dit al aan bij sectiechef L.
“…en dan te bedenken dat ik vanochtend nog gedoucht heb”, snufte ik.
“Dan ligt het dus aan je persoonlijkheid”, sneerde L.

Momenteel begin ik warempel te geloven dat hij gelijk heeft. Ik zit al dagenlang zeer solitair achter mijn bureau. Door mijn collega’s te voorzien van warme dranken probeer ik terug in de good books te komen, maar vooralsnog zonder resultaat. Ze lurken hun koffie en vinden het allemaal wel best.

Ondertussen heb ik hier geestelijk enorm onder te lijden. Niet alleen identificeer ik me met Ciske (en natuurlijk met Remi), ook is mijn zelfbeeld in het geding gekomen en ligt een depressie op de loer. Een mens is immers niet gemaakt om alleen te zijn.

Zelf weet ik genoeg oplossingen, maar ze slaan nog niet echt aan. Ik heb gevraagd of ik een tamagotchi mag (en daarna een goudvis). Ik heb aan mensen gevraagd of ze er gezellig bij komen zitten. Ik heb T. aangesproken op het feit dat ze me verwaarloost (haar antwoord: “Ik moet nu naar de trein.”) en ik slijm dus bij mijn collegae. Het is dat ik zelf niet zo outgoing ben, anders had ik allang het bureau van een collega gekaapt. Eentje in de kantoortuin, natuurlijk.

L. heeft inmiddels over mijn schouder dit logje meegelezen. Dat is gunstig, want hij ziet nu de ernst van de situatie in. Prompt heeft hij zijn tas bij mij neergelegd en is nu zelf, heel T.-fähig, on the run.

Weet iemand een goede psychoanalyticus voor mij?

:(

woensdag 6 mei 2009

Een bezoeking

Voor wie denkt dat het openbaar vervoer in Zeeland bestaat uit één manke pakezel en een A-team busje: je zit er niet ver naast. Vooral in de negorij waar mijn oma resideert is het OV-gewijs armoe troef. Dat heb ik maandag weer eens aan den lijve ondervonden.

Van Den Haag naar Vlissingen ging het allemaal goed. Daarna moest ik met de boot naar Breskens: ging ook goed. Maar toen moest ik naar Groede. En in Groede komt in het gunstigste geval één keer per uur een bus. Verder lijkt het daar een beetje op een westerndorpje, waar af en toe zo’n pick-uptruck doorheen davert en waar verder nou echt geen reet te beleven valt.

Maar goed, ik moest naar oma. Ik posteerde mij bij de bushalte op het veerplein. Volgens het bordje zou er een bus komen en dat was al een enorme meevaller. Alleen die bus kwam dus niet. Het gevolg daarvan was dat ik een uur lang moest wachten op de plek waar het begrip “the middle of nowhere” waarschijnlijk bedacht is.

Na dat uur kwam er iets aanhobbelen wat best eens de bus zou kunnen zijn. Het was zo’n debielenbusje en hoewel niemand mij daar kon zien, kleurde ik toch een beetje rood van schaamte toen ik erin kroop. In die busjes moet je altijd oppassen dat je niet met je hoofd tegen het raam leunt, want dan kan je zomaar andermans kwijl in je haar krijgen. De deur van het busje wilde niet echt dicht en dat was nog wel sensationeel, maar het droeg vooral bij aan mijn gevoel dat het eind der tijden nabij was.

Even later bereikte ik met Gods gratie toch oma’s kleine huis op de prairie. Oma, die wel wat gewend is, zei: “Goh, ben je er al?” Eerst mopperde ik wat en daarna dacht ik oma te kunnen amuseren met het verhaal over de deur die niet sloot.

“O, dat is altijd”, zei oma. Ze keek meewarig.
Ik knikte, en keek ook maar zo.

U Zei?! - Deel 36

De laatste maanden verzamelde ik weer heel wat verhaspelingen. Hierbij de nieuwe lijst. Om de donkere dagen en de gedeeltelijke lockdown wat...