woensdag 25 maart 2020

Mag het even kut zijn?

Plotseling werden we wakker in een vreemde wereld. Buiten sluipt een monster rond en het beste wapen dat we ertegen hebben is binnenblijven. Dus niet meer naar kantoor, niet meer naar het theater, geen vrienden zien, niet op een terrasje proosten op de eerste voorjaarszon. Een vreemde wereld waar ik behoorlijk aan moet wennen.

Wonderlijk genoeg kwam er al op de eerste dag van de nieuwe werkelijkheid een stortvloed aan online initiatieven op gang. De webinars en online cursussen vlogen me om de oren. Elkaar overtreffend in zinloosheid testten ze mijn verdraagzaamheid. De ideeën waren ongetwijfeld goedbedoeld, maar riepen vooral het beeld op van een horde mensen die staan te dansen op de vulkaan. Paniekvoetbal gekanaliseerd in online meetings. Krampachtig en veelal ondoordacht. Omdat we blijkbaar vooral heel positief, creatief en productief moeten blijven. Terwijl er buiten een monster rondsluipt.

En ik vraag me af… mag het ook gewoon even kut zijn? Het lijkt er soms namelijk op van niet. Het lijkt alsof mensen naadloos willen overstappen naar de nieuwe realiteit, die zo radicaal anders is dan de vorige. Zo radicaal anders dan nog geen twee weken geleden. Maar mag het ook even moeilijk zijn? Mogen we het gewoon even níet weten? Even pas op de plaats maken en met grote ogen om ons heen kijken, ons verbaasd afvragend waar we nou toch in godsnaam in terecht zijn gekomen?

Ik heb dat nodig. Sterker nog: ik kan niet anders. Ik heb geen zin in semi-optimistisch online gefröbel, omdat ik het gewoon even niet zo goed weet. En volgens mij is daar niks mis mee. Ga weg met je webinar, val me niet lastig met je online training. Ik kan er even niks mee. Tenzij je een online uithuilsessie organiseert (bring your own tissues!), dan ben ik de eerste die aansluit.

Want laat ik maar eerlijk zijn: ik heb het moeilijk. Ik ben doodsbang voor dat monster buiten. De dokter zei dat ik niet ziek mag worden, want mijn lichaam maakt de stofjes die ik nodig heb om beter te worden niet aan. Dat is een onheilspellende boodschap.

Ik schrik van de berichten. Toen de nieuwe werkelijkheid drie weken zou duren kon ik het nog enigszins verhapstukken, toen maandagavond bekend werd dat we er tien weken langer aan vastzitten heb ik de rest van de avond gehuild. Omdat ik het kut vind, alles. Omdat ik bang ben. Bezorgd om anderen. Droevig omdat ik een aantal mensen voorlopig hooguit via een schermpje kan zien. Verbijsterd over de bizarre situatie waar we ons ineens in bevinden. En er is geen ontkomen aan. Je kan er niet van weg. Het is overal.

Dus mag het even kut zijn? Je hóeft het even niet te weten. Laat dat circus van mensen die hun machteloosheid omzetten in halfbakken online optimisme maar even aan je voorbijgaan. Die mensen weten het namelijk ook niet.

Ik begin langzaam mijn draai te vinden. Met die draai komt er ook weer wat ruimte voor creativiteit. De ideeën komen weer. Ik weet nog niet precies hoe ik het allemaal moet doen, maar langzaam komt er weer wat lucht in mijn hoofd. Ik typ weer en blogje. Gisteravond had ik de slappe lach.

De wereld blijft vreemd, het monster blijft eng.
Verbaasd kijk ik naar de vulkaandansers en de paniekvoetballers. En langzaam word ik kalmer. Ik sta op het balkon en voel de eerste voorjaarszon. Ik zie voor me hoe ik over een paar maanden op een terrasje zit, gezond en wel, met mijn vrienden en vol nieuwe ideeën.

Ik weet het even niet zo goed, maar ik geloof wél dat het goedkomt.

vrijdag 6 maart 2020

Ik schrijf!

Wat ik schreeuw lijkt niet slecht
Maar wat ik schrijf ben ik echt
En zo kan ik een beetje van de wereld aan 

(uit: Schoolplein, Acda & De Munnik) 

Moest ik mezelf vergelijken met een liedtekst, dan koos ik deze. Iedereen weet het wel van mij: ik ben gek op taal, een lettervreter, een 'taalnazi'. Dat ben ik al mijn hele leven. Schrijven is wat mij mij maakt. 

Ik ben zo'n bofkont die van haar hobby haar beroep wist te maken. En daarin heb ik onlangs een nieuwe stap gezet. Sinds kort sta ik ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Mijn eigen bedrijf heet Taal Klaar. Wat ik doe laat zich raden: ik schrijf. What else? 

De aanloop 
Het was zo'n idee dat al jarenlang telkens weer de kop opstak. Ik wilde best voor mezelf beginnen. Maar om met Willem Elsschot te spreken: tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren. Er waren steeds redenen om het niet te doen. Nou ja, om het nóg niet te doen. 

Maar het laatste jaar gebeurde er ineens van alles. In fracties onbeduidend, maar als geheel gezien was het een duw in deze richting. Een schrijfopdracht hier, een interview daar. Gesprekken, gedachten, en dan toch weer die droom. 

De sprong 
Ik praatte met andere ZZP'ers. Zette het een en ander op papier (natuurlijk). Ik onderzocht de praktische bezwaren, keek eens naar de wetten en dacht: ik ga dit doen. Ik wil dat al zo lang. Ik weet dat ik dit kan. Ik ga dit doen. Ik vind het spannend, ik vind het leuk, en ik ga het doen.

Dus ik deed het.

Ik maakte een website, dat was mijn beginnetje. En wat later meldde ik me aan bij de Kamer van Koophandel. Van tevoren leek het heel wat, zo'n inschrijving, maar het stelt echt geen ruk voor. Lopendebandwerk in optima forma.  Een paar parafen en twee handtekeningen en bam: Taal Klaar bestond. 

Zwemband
Ik drijf nu in een zwemband in het diepe. Ik heb mijn 'gewone' baan nog, want zomaar mijn zekerheden opgeven is niet helemaal des Annes. Naast mij drijft vriend E. in zijn zwemband. Op hetzelfde moment begonnen we aan een vergelijkbaar avontuur en dat is ontzettend fijn. Een beetje steun, en elkaar een duwtje kunnen geven.
Ik ben nu dus parttime beschikbaar voor schrijfklussen. Interviews, nieuwsbrieven, redactiewerk, noem maar op.

Taal Klaar is er klaar voor. 

maandag 20 januari 2020

U Zei?! - deel 34

Het is Blue Monday! Om deze dag niet helemaal in een staat van algehele droefenis, depressiviteit en doemgedachten te hoeven slijten hierbij een nieuw deel U Zei?!

"Er liggen ook vergunningsaanvragen waar je met je natte vinger kunt aangeven dat het waarschijnlijk wel gewoon kan."

"Ik heb wel een klepel horen luiden, maar verder?"

"De druppel loopt over, en dat is vandaag!"

"Het is echt treurig, het water staat hem aan de schenen."

"...en dan krijgen wíj de kwaaie pier weer toegespeeld!"


"Het is wel een spraakgraag persoon."
"Hij heeft me vol stomheid geslagen!"

"Dat zorgt voor een enorme toevloed van mensen."

"Het is niet eens zo erg, maar zij zit zo'n mug dan helemaal op te blazen."

"Hij moet de knikkers voor hem uit het vuur raggen."

"Ik ben een beetje kluistrofobisch."


"Wij helpen je graag een handje op weg."

"Ik vind het allemaal maar linke koek!"

"Het doet wel ergens een belletje rinkelen, maar waar hangt de klepel?"

"Ach, hij zit nog steeds op twee benen te hinkelen."

"In dit decennium kwamen veel mensen ons te ontvallen."


"Sociale media maken het makkelijker dan ooit om een kritische noot te kraken."

"We hebben het beste steentje met je voor."

"Op mijn werk ben ik de rustheid zelve."

"Zij zetten die tijdschriften dan in het voetlicht."


"Hij heeft gewoon een duwtje in de goede rug nodig."

En dat laatste geldt voor alle verhaspelaars. Tips blijven - zoals altijd - welkom!


zondag 1 december 2019

When one door closes

Het was donderdagochtend, zeikweer, en ik moest naar kantoor. Ik wurmde me in mijn regenkleding en stapte de voordeur uit. Tot zover was er – afgezien van de regen – niets aan de hand.

Nu zit er aan de binnenkant van mijn voordeur een extra slot. Een constructie met een haak en een pin: een kierstandhouder heet dat, leerde ik later die dag. Ik trok de voordeur dicht, maar merkte op  dat dat slot meebewoog. Ik wilde mijn voordeur terug open duwen, maar dat ging niet meer. Ik kon mijn eigen huis niet meer in.

Kortstondig overwoog ik mijn opties, en fietste vervolgens vloekend naar kantoor. Het had geen zin om bij mijn weigerachtige voordeur te blijven staan. Eenmaal achter mijn bureau begon het grote googelen Hoe ging ik dit oplossen? Mijn gemoedstoestand hield het midden tussen chagrijnig en gestrest.

Google kwam met een aantal slotenmakers op de proppen. Ik deed snel maar gedegen vergelijkend onderzoek en belde de slotenmaker die naar mijn inschatting de beste optie was. Ze zouden tussen half vier en vijf bij mij zijn.

Intermezzo
Een beeld van hoe die ochtend verder verliep: ik kon alleen via de achteringang het ministerie in, dus ik moest door de stromende regen een heel stuk omlopen – maar pas nadat ik me klem had gelopen in een soort sluis bij de hoofdingang; mijn computer moest meerdere keren worden opgestart omdat hij dienst weigerde; daarna wilde ik iets printen, maar dat ging niet want er stond iemand illegaal (want: niet van onze afdeling) een hele roman uit te draaien; ik morste thee; iemand bood me chocolade met meelwormen aan; mijn voeten waren nat en koud van de regen…. Op de schaal oerknal – eeuwigheid niets rampzaligs, maar alles bij elkaar toch genoeg om me behoorlijk uit mijn hum te brengen.

Ondertussen wist ik natuurlijk dat er zéker een oplossing zou komen en dat ik ongetwijfeld op korte termijn weer gewoon mijn huis in kon. Desondanks ging mijn overactieve en zeer fantasierijke brein flink met me aan de haal gedurende de dag. Het werd heel dramatisch, met nooit meer naar huis kunnen en eenzame nachten onder donkere bruggen. Wat zó belachelijk was dat ik er zelf ook wel om moest lachen.

Wachten
In de loop van de middag fietste ik huiswaarts en installeerde me op de portiektrap, wachtend op de slotenmaker. Ik belde ze nog maar eens om te vragen of er al een iets exactere tijd te melden viel. Het zou wel vijf uur worden, werd me verteld.
Om de tijd te doden besloot ik een rondje te gaan lopen. Inmiddels miezerde het weer en ik had de pest in. Ik kreeg nog meer de pest in toen ik werd gebeld door de slotenmaker: zijn collega had een aanrijding gehad, daardoor liep hun hele planning in de soep en het zou pas in de avond zijn dat ze konden langskomen. Ik zei dat ik wel even ging kijken of ik een andere oplossing kon verzinnen. 

Dat viel nog niet mee. Ik had nog nooit eerder met dit bijltje gehakt en wist ook niet zo goed wat me te doen stond. Ik ging naar een doe-het-zelfzaak bij mij in de buurt en vroeg daar om hulp. Ik dacht aan ijzerzagen of betonscharen, en ik hoopte natuurlijk stiekem dat die doe-het-zelfman zou zeggen: ach arme ziel, ik los het wel even voor je op. Want eerlijk is eerlijk: als ik érgens behoefte aan had op dat moment, dan was het aan een oplossing die gewoon kwam aanwaaien. Iemand die zou zeggen: ik los het wel even voor je op. Maar zo werkt dat niet in het leven van een zelfstandige volwassene. 

Maar de doe-het-zelfman loste het niet op. Hij noemde wel een slotenmaker in de buurt. Ik belde hen, zij zeiden dat ze pas in de loop van de avond tijd hadden, ik zei dat dat ook niet opschoot.
"Maar ik heb wel een nummer van een andere slotenmaker die je misschien kan helpen",  zeiden ze. Ik belde dat nummer.

Daarna werd alles snel beter. 

De redding
"Oh prima, mijn collega is binnen een half uurtje bij je",  zei de andere slotenmaker. Er waaide een voorzichtige vlaag opluchting door mij heen. Ik liep terug naar huis, griste een boek uit de mini-bieb voor mijn deur en installeerde me opnieuw op de portiektrap. 
Juist toen het te donker werd om te lezen kwam er een auto aangereden en daar stapte de collega van de andere slotenmaker uit. Hij pakte een grote tang en knipte mijn kierstandhouder met twee trefzekere knippen door. Het leed was geleden. Ik kon mijn huis weer in, waar het warm was en vertrouwd.

Het was al met al een enerverende dag die gelukkig een goed einde kreeg.
Zoekt u nog een goede inbraakpreventiemethode, dan kan ik de kierstandhouder van harte aanbevelen. Mocht het misgaan, dan heb ik het telefoonnummer van de collega van de andere slotenmaker voor u. 

Hij is er binnen een half uurtje, en dan lost hij het even voor je op. 

woensdag 25 september 2019

U Zei?! - deel 33

Het is weer tijd voor een nieuwe U Zei blog. Er werd weer heel wat verhaspeld de laatste maanden. Ik hoorde dingen waarbij de kant de wal niet raakte (waarvan akte) en uitspraken 'waarvan mijn haren de berg op rezen'  (zoals deze).

En verder dit:

"Er is sprake van leeglopende patiënten op de spoedeisende hulp."

"Hudsons Bay is bezig om de witte vlag te strijken."

"Dat is een echte blikkenvanger." 

"Die dag gaat de ambtenaar ze in het echt verbinden." 

"Mijn kind loopt al jaren een folterwijk." 

"Het is wel mooi geweest, ik heb hier mijn neus van vol!"

"We moeten als de vliegende weerga aan de slag."

"Dat moet je die manager wel even onder zijn achterste wrijven hoor!"

"Er zijn altijd van die zure pruimen die iets te zeuren hebben."

"Dat heb ik alleen even uit mijn losse mouw geschud."

"Ik leg je geen stroweg in de breedte!"

"Ik verkoop geen eieren voordat ik een kip heb."

"Die ging als een olifant door een porseleinen kast."

"Daarna hebben we nog een paar jaar een stoplichtrelatie gehad."

"Het enige wat ik krijg zijn doodhoudertjes!"

"Zij doet net alsof ze het ei van Columbus heeft uitgebroed."

"Ik ben me hélemaal waardeloos geschrokken."

"Hij is wel iemand die nogal graag van de hoogste toren blaast." 

"Volgend jaar is een schrikkeljaar, dan is het elke dag overmorgen."



"Nou, toen kwam de aap uit de hoge hoed."


Tips blijven, zoals altijd, welkom!
 

dinsdag 13 augustus 2019

Spelregels

Het begon allemaal met een tweet van Coot van Doesburgh:


Zulke berichten vallen bij mij per definitie in goede aarde: in Coot herkende ik een medestrijdster voor het behoud van onze mooie moerstaal. Bij voorkeur foutloos.

Een andere twitteraar reageerde met het volgende verhaal:












Het deed pijn om dat te lezen. Ik werd er bozig van, op het agressieve af. Ik stelde een vervolgvraag, waarop het antwoord luidde:












Waarop ik sputterend opmerkte:
















Iedereen die mij een beetje kent weet hoezeer de Nederlandse taal, en het correcte gebruik ervan, me aan het hart gaat. Dat er op sommige scholen kennelijk geen belang meer aan wordt gehecht vind ik zeer kwalijk.

De tweets lieten met niet los en mijn boosheid sudderde rustig door. Ik vertelde het aan een collega. Kwaaiig voegde ik eraan toe: “Als het mijn kind was ging het direct van die school af. En die school ging in de fik.” Daarna legde ik rustig aan een andere collega uit dat ik dat laatste heus niet meende en nooit zou durven - kennelijk was dat niet direct duidelijk.

Leren

Ik snap best dat sommige mensen moeite hebben met het juist plaatsen van de d’tjes en de t’tjes. Ik snap dat het verwarrend kan zijn. Tegelijkertijd: de regels zijn nou ook weer niet heel erg ingewikkeld. Het is aan de scholen om die regels aan de leerlingen uit te leggen. En als ze het de eerste keer niet begrijpen, dan leg je het nog eens uit. En nog eens, en nog eens, net zo lang tot het kwartje valt.

Als een kind bij de eerste poging van zijn fiets lazert, zeg je toch ook niet 'Laat maar'?

Ik weet niet eens over welke school we het hier hebben. Ik vrees bovendien dat het zich niet tot één school beperkt. Maar deze gang van zaken is wat mij betreft een zwaktebod van jewelste: de leraren weten zélf vaak niet meer hoe het moet, dus leren ze het de kinderen ook maar niet meer. Blijkbaar appelleert dit aan hun eigen onvermogen om de stof goed uit te leggen. Inderdaad: dit is een aanname. Maar ik ben echt bang dat ik er niet ver naast zit.

Ik wil niet als een oude tut klinken, maar als ik dit soort dingen hoor maak ik me serieus zorgen over het niveau van het onderwijs in Nederland.

De opvatting dat fouten markeren demotiverend werkt voor leerling en leraar getuigt bovendien van een verstikkende betutteling. Een betutteling die toch al alomtegenwoordig is; kennelijk is een groot deel van de kinderen van de afgelopen twee decennia opgetrokken uit poppenstront.

Spelen
Terug naar de d’tjes en de t’tjes.
De tweet van Coot van Doesburgh is misschien een beetje belerend. Tegelijkertijd heeft ze een goed punt: de fouten vliegen je om de oren – zelfs in de betere dagbladen kom ik regelmatig d/t-fouten tegen. Dat zou niet moeten mogen. Hoe dit tij te keren valt weet ik zo gauw niet. Maar wat in elk geval kan helpen is dit:

Geef het in godsnaam gewoon aan als iemand - een kind óf een volwassene - een fout maakt. Bedenk daarbij dat de toon de muziek maakt: demotiveren en stimuleren liggen vaak opmerkelijk dicht bij elkaar. Je hoeft niet op alle slakken zout te leggen. Je hoeft echt niet voortdurend bij iedereen in zijn nek te hijgen en obsessief elk foutje aan te wijzen. Maar van tijd tot tijd mag het bést gezegd worden. Zoals Coot van Doesburgh deed.

En neem spelen als voorbeeld.

woensdag 10 juli 2019

Verhuizen

“Verhuizen is raar”, zei ik laatst tegen vriend B.

We zaten in de auto, op weg naar mijn ‘oude’ huis, na een dagje bouwmarkten en Ikea. Alle hoognodige spullen die op mijn boodschappenlijst stonden waren aangeschaft. De feitelijke verhuizing een stapje dichterbij. En ineens vond ik het maar vreemd.

De afgelopen weken stopte ik mijn leven in dozen. Ik bepaalde wat mocht blijven en wat ik niet meer wilde hebben. Ik ruimde op, zocht uit, gooide weg, pakte in.
Ik stapelde dozen op.
De dozen vielen ’s avonds met een daverende klap omver.
Ik stapelde ze opnieuw op, nu in kleinere stapels. Dat ging beter.

Nu is bijna alles ingepakt. Nu ga ik bijna écht weg. Willeke Alberti neuriet zachtjes in mijn hoofd:
Dag huis. Dag lieve oude woning.

Mooi

Verhuizen mag dan raar zijn, wat overheerst is een goed gevoel. Ik verheug me op mijn nieuwe huis. Het leven op mijn nieuwe stekje. Ik kan niet wachten om het huis dat ik zo leuk vind helemaal eigen te maken. Ik vind het mooi en fijn en spannend, ik ben blij als ik er rondloop. Ik ben trots. Misschien zelfs wel gelukkig.

Maar mijn ‘oude’ huis, dat heeft veel voor me betekend. Het was het huis waar alles goed kwam. Waar ik mezelf terugvond, opkrabbelde en sterker werd. Het was het huis waar ik me de eerste weken een soort Alice in Wonderland voelde – zo mooi, zo groot en zo bijzonder vond ik alles.

Het was het huis waar ik thuiskwam van de - tot nu toe - mooiste reizen van mijn leven.
Het was het huis met de fijne buren.
Het was het huis waar ik Tante Melia vermoordde. Ook dat gaf een goed gevoel, daar wil ik niet over liegen. (lees terug: tante Melia deel 1 en het einde van tante Melia)
Het was het huis waar ik boeken las, muziek luisterde, herinneringen maakte, het verhaal schreef dat in een bundel werd opgenomen.
Het was mijn thuis. Mijn veilige plekje. Mijn eiland in de stad.

Verbond

Ik ga bijna écht weg uit het huis waar ik met zo veel plezier gewoond heb. Over een paar dagen loop ik voor het laatst door de kamers. Dan is alles kaal, alles weg. Ik ben niet verdrietig om weg te gaan, maar blij met de stap die ik maak. Bovendien kijk ik er naar uit om straks de grens over te zijn. Niet meer te leven tussen twee huizen – geen van beide echt thuis. Het ene huis nóg niet, het andere huis niet meer.

En dat is waarom ik verhuizen raar vind.
Een huis en jij worden na verloop van tijd één. En als je gaat verhuizen, verbreek je dat mythische, onzichtbare verbond. Met elk spulletje dat je inpakt is het huis iets minder ‘van jou’, iets minder eigen – en weer iets meer gewoon een huis. Een huis dat van iedereen zou kunnen zijn. Alles wat het ‘van jou’ maakt haal je weg.

Maar als je al die dingen in je nieuwe huis neerzet… dan is het mythische verbond daar niet direct. Dat moet groeien. Alsof het huis lekker om je heen moet gaan zitten. Totdat het je past als een warme, comfortabele jas.

Ik ruim op. Ik sluit af. Ik ben helemaal klaar voor al het nieuwe.
En ik hoop dat het in mijn mooie, nieuwe huis net zo fijn wordt als in mijn lieve, oude woning.

Mag het even kut zijn?

Plotseling werden we wakker in een vreemde wereld. Buiten sluipt een monster rond en het beste wapen dat we ertegen hebben is binnenblijven....